termen beleggen

Deze termen uit het beleggen zijn handig om te kennen

Wil jij mee kunnen praten over beleggen? Of op z’n minst weten waar ze het over hebben? Onthoud dan deze 10 termen uit het beleggen en je weet voor eens en altijd wat er wordt bedoeld.

Door Saskia

Beursjargon. Laat jij je erdoor afschrikken? Of weet je precies waar ze het over hebben? Beleggingstermen kunnen best intimiderend zijn. Want weet jij wat dividend is? Hoe de beurs precies werkt? En wat doet een broker nu eigenlijk? Nu de spaarrente zo laag is, gaan steeds meer mensen beleggen. Maar beleggen heeft ook risico’s. Het is goed om dat te weten. En dat is niet het enige. Een beetje kennis is ook wel handig. Deze termen uit het beleggen zou iedereen moeten kennen die begint met beleggen.

1.      Rendement

Op nummer één staat natuurlijk de term rendement. Want daar draait het uiteindelijk om. Het rendement is de winst (of verlies) op je beleggingen. Bijvoorbeeld over het afgelopen jaar of in totaal.

Stel, je koopt voor €1.000 aandelen en verkoopt ze een jaar later voor €1.200. Je winst is dan €200 (= €1.200 – €1.000). Met andere woorden: een rendement van 20%.

2.      Aandelen en obligaties

We hebben allemaal wel eens gehoord van deze termen in beleggen: aandelen en obligaties. Maar wat is nu precies het verschil?

Een aandeel is een stukje van een bedrijf. Koop je aandelen? Dan word je mede-eigenaar. En alle eigenaren samen noemen we de aandeelhouders. Zodra het bedrijf meer waard wordt, stijgt ook de waarde van jouw aandelen. Maar andersom kan ook. Daarnaast krijg je als aandeelhouder soms dividend. Dat is een deel van de winst. Je kunt aandelen in bedrijven kopen en weer verkopen.

Een obligatie is een lening. Je leent je geld uit aan een bedrijf of aan de overheid. En in ruil hiervoor krijg je rente (= het rendement). Obligaties hebben altijd een vaste looptijd. Dat wil zeggen, na bijvoorbeeld 1, 3 of 5 jaar krijg je je geld weer terug.

3.      Beurs

De beurs is dé plek waar het allemaal gebeurt. Hier worden ‘beleggingsproducten’ zoals aandelen en obligaties, gekocht en verkocht (= verhandeld). Een verzamelwoord voor alle beleggingsproducten is effecten. De beurs wordt daarom ook wel effectenbeurs genoemd. De grootste beurs ter wereld is de New York Stock Exchange (NYSE). Beter bekend als Wall Street.

4.      Koers

Koop je aandelen? Dan houd je de koers goed in de gaten. De koers is niets anders dan de prijs die jouw aandeel op dat moment heeft. Kost jouw aandeel vandaag €1,50 en morgen €2,50? Dan is de koers gestegen.

De koers (= de prijs / waarde van een aandeel) wordt bepaald door vraag en aanbod. Willen veel mensen een bepaald aandeel kopen? Dan stijgt de koers. Maar is het bedrijf negatief in het nieuws gekomen? En verkopen daardoor juist veel mensen hun aandelen? De koers daalt dan, en het aandeel wordt minder waard.

5.      Koersschommelingen (= volatiliteit)

Koersen (= prijzen van aandelen) zijn altijd in beweging. De ene dag stijgt de koers en de andere dag daalt hij weer. Dit op en neer gaan van de koers noemen we koersschommelingen. Of met een duur woord: volatiliteit. Is een koers erg volatiel? Dan gaat de koers snel omhoog en omlaag. En is beleggen in dit aandeel risicovoller. Dit heet koersrisico. Je loopt het risico dat je je aandelen tegen een lagere koers verkoopt, en dus verlies maakt.

Koerswinst is het tegenovergestelde. Je verkoopt je aandelen tegen een hogere koers dan waarvoor je ze hebt gekocht.

6.      Bear market en bull market

Ken je die beroemde stier bij Wall Street? Die staat daar niet voor niets. In het beursjargon hebben ze het vaak over ‘bear market’ en ‘bull market’. Een bear market is wanneer de koersen een lange tijd achter elkaar dalen. De bull market is het tegenovergestelde. De koersen laten een stijgende trend zien. En blijven naar verwachting ook stijgen.

7.      Beleggingsfonds

In een beleggingsfonds wordt de inleg van een groep beleggers op één hoop gegooid. En het totaal belegt de fondsbeheerder in diverse soorten beleggingen, zoals aandelen en obligaties van verschillende bedrijven, landen, sectoren of thema’s. De fondsbeheerder spreidt het risico, waardoor een beleggingsfonds meestal minder risicovol is dan zelf beleggen.

Er zijn verschillende soorten beleggingsfondsen. Zoals een aandelenfonds, indexfonds, obligatiefonds, vastgoedfonds of gemende fondsen.

8.      Exchange Trade Funds (ETF’s)

De term ETF hoor je vaak. Maar wat is het nu precies? ETF is de afkorting van Exchange Trade Fund. En werkt net zoals een indexfonds. ETF’s volgen een index op de voet. Dat wil zeggen, een ETF is een aandelenfonds waarin alle aandelen van een bepaalde index zijn opgenomen. Dit betekent dat je niet in slechts één bedrijf belegt, maar bijvoorbeeld in de hele AEX (= 25 grootste bedrijven van Nederland).

Je belegt als het ware in een mandje vol beleggingsproducten. Hierdoor spreid je heel goed en loop je minder risico.

CHECK OOK:  Beleggen: hoeveel belasting moet je daarover betalen?

9.      Beleggingsportefeuille

Dit is jouw persoonlijke verzameling van alles waarin je hebt belegd. Dus al je aandelen, obligaties, (index)fondsen, ETF’s en andere beleggingen zitten in je beleggingsportefeuille.

10.  (Online) broker

Nog een belangrijke in de lijst van termen uit het beleggen. Broker is de Engelse term voor tussenpersoon, bemiddelaar of makelaar. Een broker brengt kopers en verkopers samen. Hebben we het over een broker in de beleggingswereld? Dan is dit een tussenpartij, zoals een bank of online platform, die een beleggingsrekening voor jou opent en waar je zelf aandelen, obligaties en ETF’s kunt kopen en verkopen.

Deel dit artikel gerust op Pinterest!

Lees hier meer over beleggen

Dacht je aan iemand tijdens het lezen? Deel dit artikel dan met hem/haar.